|
|
|
|
|
Zand- en grindexploitatie Zand- en grindexploitatie op zee begon in België in 1976 (29.000m³). De winning is met de jaren gestegen en nu schommelt deze hoeveelheid rond de 1.600.000m³. Er is een groeiende interesse voor zeezand voornamelijk omdat de bestaande zandgroeven op land uitgeput raken. Aangezien het grind in de Belgische wateren niet van perfect kwaliteit is (te kleine korrelgrootte), wordt voornamelijk zand gewonnen. Dit zand wordt in de bouw gebruikt als draineer- en stabilisatiezand of wordt door de betonindustrie vermengd met andere aggregaten. Voor grote infrastructuurwerken, zoals de aanleg van gaspijpleidingen (Zeepipe 1991; Interconnector 1997), zijn op zeer korte tijd grote hoeveelheden zand nodig. Het Vlaamse Gewest doet aan zandwinning voor kustbescherming en strandsuppletie.
De exploratie en exploitatie van zand en grind gebeurt in welbepaalde gebieden op het Belgisch continentaal plat en wordt geregeld door de wet van 13 juni 1969 , zoals gewijzigd door de wet van 20 januari 1999 en de wet van 22 april 1999 . Twee uitvoeringsbesluiten (BS 07.10.04) werden gepubliceerd:
In het procedurebesluit worden drie controlezones gedefinieerd, opgedeeld in sectoren waarvoor concessies verkregen kunnen worden. De toegankelijkheid tot de controlezones wordt als volgt bepaald:
Er wordt ook een exploratiezone 4 gedefinieerd. Op basis van de resultaten van het exploratieonderzoek zullen in deze exploratiezone nieuwe sectoren voor exploitatie worden afgebakend met een maximale totale oppervlakte van 46 km². Uitzonderlijk kunnen concessiebesluiten buiten deze zones worden toegekend.
Voor het verkrijgen van een vergunning voor zand- en grindexploitatie moet volgens deze nieuwe wetgeving, een concessieaanvraag en een milieueffectenrapport ingediend worden. Dit milieueffectenrapport wordt onderworpen aan een milieueffectenbeoordeling: de BMM beoordeelt de aanvaardbaarheid van de activiteit voor het mariene milieu. Deze beoordeling wordt overgemaakt aan de minister bevoegd voor het mariene milieu, die op zijn beurt advies overmaakt aan de federale minister van Economie. Het advies van de minister bevoegd voor het mariene milieu is bindend: indien dit advies negatief is, kan geen concessie verleend worden. Op 17 maart 2006 werd een geïntegreerd milieueffectenrapport (met figuren en bijlagen) voor de extractie van mariene aggregaten op het Belgisch deel van de Noordzee ingediend door ZeegraVZW en AWZ-Afdeling Kust en Maritieme Toegang. De milieueffectenbeoordeling en het advies opgesteld door de BMM werden aan de minister bevoegd voor de Noordzee overgemaakt op 5 juli 2006. De minister bevoegd voor de Noordzee heeft zijn positief advies overgemaakt aan de minister voor Economie die de concessies heeft toegekend (Staatsblad 18/08/2006). Op 10 november 2010 werd een geïntegreerd milieueffectenrapport (met figuren en bijlagen) voor de extractie van mariene aggregaten op het Belgisch deel van de Noordzee ingediend door het Agentschap voor Maritieme dienstverlening en Kust - Afdeling Kust. Hetzelfde milieueffectenrapport werd ingediend op 5 januari 2011 door de firma’s Hanson Aggregates Belgium nv en De Hoop bouwgrondstoffen bv. Het milieueffectenrapport wordt aangevuld met de resultaten van de workshop van 20 oktober 2008. De concessies zijn gebonden aan een vergoeding die door de overheid wordt gebruikt voor het continue onderzoek naar de invloed van de exploitaties op het mariene milieu. De BMM bestudeert daarom aan de hand van mathematische modellen, het transport van het sediment dat verstoord wordt door de exploitaties. De studie probeert de voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling te bepalen en een onderscheid te maken tussen de menselijke impact en de natuurlijke variabiliteit ten gevolge van bijvoorbeeld stormen. Elk ontginningsvaartuig moet uitgerust zijn met een automatisch registreersysteem, de zgn. black-box. De black-boxes registreren een aantal parameters zoals vb. identificatie van het vaartuig, traject, datum, tijd, positie, snelheid, status van de pompen,… Het beheer van het registreertoestel en de verwerking van de gegevens gebeurt door de BMM in opdracht van de FOD Economie. Zo kan worden nagegaan of de voorwaarden opgelegd in het concessiebesluit worden gerespecteerd.
Op internationaal vlak worden de effecten van zand- en grindexploitatie op zee bestudeerd door de werkgroep WGEXT binnen ICES, waarvan de BMM een actief lid is. Ook in het kader van het OSPAR Verdrag wordt gesteld dat lidstaten rekening moeten houden met de richtlijnen van ICES, aangezien zand- en grindextractie een menselijke activiteit is met mogelijke effecten op mariene ecosystemen en habitats.
|
Kustvoorspellingen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
© MUMM | BMM | UGMM 20022012 webmaster@mumm.ac.be De BMM is een departement van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen |